Een plotselinge hartstilstand (SCA) ontstaat snel. Door een storing in het elektrische systeem van het hart stopt het hart onverwachts en abrupt met kloppen. Vaak resulteert dit in een abnormaal hartritme, ventrikelfibrilleren (VF) genoemd, waardoor het hart trilt en het bloed niet effectief wordt rondgepompt.
Symptomen van SCA zijn onder meer plotselinge instorting, bewustzijnsverlies, verlies van pols, naar adem happen en kortademigheid of het wegvallen van de ademhaling. De enige effectieve behandeling voor Ventrikelfibrillatie (VF) is een elektrische schok die wordt toegediend met een automatische externe defibrillator (AED) en hoogwaardige cardiopulmonale reanimatie (CPR).
SCA wordt vaak verward met een hartaanval, maar dat is niet hetzelfde. Tijdens een hartaanval wordt de bloedtoevoer naar de hartspier sterk verminderd of geblokkeerd. Symptomen van een hartaanval kunnen variëren, soms beginnen ze plotseling en soms ontwikkelen ze zich langzaam en houden ze uren, dagen of weken aan.
Bij een plotselinge hartstilstand is er een elektrische storing in het hart waardoor het hart plotseling stopt met kloppen.
Een plotselinge hartstilstand is geen hartaanval. Een hartaanval treedt op wanneer de bloedstroom naar het hart wordt belemmerd door een verstopte slagader.
Er zijn twee belangrijke manieren waarop u kunt helpen:
Hoogwaardige reanimatie heeft een grote invloed op het verloop voor een slachtoffer.
Niet elk slachtoffer heeft een defibrillerende schok nodig, maar alle slachtoffers hebben hoogwaardige reanimatie (CPR) nodig. Het kan een niet-schokbaar ritme omzetten in een schokbaar ritme en is essentieel om het bloed door het hele lichaam te blijven rondpompen om vitale organen te beschermen.
Wanneer een slachtoffer van een plotselinge hartstilstand (SCA) een schokbaar ritme heeft, moet CPR onmiddellijk beginnen nadat de schok is toegediend om het hart te ondersteunen terwijl het probeert een normaal ritme te herstellen. Zonder reanimatie kan een schok alleen onvoldoende effectief zijn.
1 Link MS, et al. Circulation. 2010;122:S706.